Gepubliceerd op 20 december 2011 in het blad Milieu van de Nederlandse Vereniging van MIlieuprofessionals VVM, p. 31
In zijn essay ‘Klompen in de machinerie’ maakt Jan Paul van Soest op verbijsterende wijze duidelijk dat het klimaatbeleid wordt gesaboteerd. Een recensie.
Stevig onderbouwd maakt ‘Klompen in de machinerie’ duidelijk dat er een krachtige anti-klimaatbeweging bestaat, met miljoenensteun van gevestigde bedrijven. Zonder dat echt sprake is van een complot, blijkt de tegenlobby zeer effectief en heeft geresulteerd in een falend klimaat- en energiebeleid.
Twijfel zaaien
Vooral grote Amerikaanse, Canadese en Australische bedrijven met belangen die onder vuur liggen (tabak, chemie, olie en kolen) financieren tal van neoliberale en conservatieve denktanks om effectief klimaatbeleid te ondermijnen. Bij en rond deze denktanks oftewel Policy Institutes werken als wetenschappers vermomde lobbyisten die permanent twijfel zaaien en zo maatregelen weten tegen te houden. Ze sturen een permanente stroom van studies en rapporten de wereld in, die eindeloos in de blogosfeer wordt herhaald en gerecycled en die ook in andere landen, waaronder Nederland, zijn sporen nalaat. Met als gevolg dat kretologie als “de vrije markt moet zijn werk doen” en “windmolens draaien niet op wind maar op subsidie” meer en meer domineren.
Daarnaast wordt het klimaatbeleid onbewust tegengewerkt. Dit gebeurt vooral door mensen niet willen inzien dat de gangbare wet- en regelgeving is geënt op conventionele energie. Vanuit die misvatting weigeren ze bijstelling ten gunste van duurzame energie te bespreken.
Koersverandering
De paradoxale conclusie dat het neoliberale-reactionaire denkraam leidt tot economische stagnatie onderschrijf ik hartgrondig. Hetzelfde geldt voor de aanbeveling om de lobby voor duurzame energie in Nederland te versterken. Ook onderschrijf ik het belang van meer onderzoek naar de diverse denkramen en van het onderkennen van bestaande belangen en ideologisch getinte visies in het debat.
Het essay inspireert om na te denken over de mogelijkheden om het klimaatdebat weer de aandacht te geven die recht doet aan de ernst van de problematiek. Een wereldwijde temperatuurstijging van 2 ˚C lijkt immers al onafwendbaar.
Om het klimaat- en energiebeleid op gang te krijgen is top-down beleid nodig met harde grenzen aan de ecologische impact, aldus Van Soest. Het gaat dan om sturing en randvoorwaarden die bovenlangs worden vastgelegd, zoals volledige doorberekening van maatschappelijke kosten in de energieprijs en langdurige voortzetting van bestaande stimuleringsregelingen voor duurzame energie. Van belang is ook te zorgen voor hernieuwde waardering voor kennis, feiten en wetenschap. Verder zou ik graag de aandacht voor de factor ‘macht en belangen’, waar Van Soest terecht om vraagt, consequent willen doorberedeneren in de te volgen koers. Moeten we juist vanwege de machtsfactor niet overstappen van de klimaat- op de transformatievisie? Dus stoppen met pleiten voor CO2-opslag zolang de gevestigde orde vasthoudt aan business-as-usual? En waarom zoveel oog voor de concurrentiekracht van de gevestigde energiebedrijven als deze de omslag naar duurzame energie tegenwerken? Of lopen we dan teveel CO2-reductie mis?
Boodschap verspreiden
Hamvraag is wellicht hoe de duurzaamheidsbeweging meer macht en invloed kan krijgen? Door kiezers te bereiken, adviseert Van Soest. Een aanbeveling die ik wil toevoegen is: zet zelf met de duurzaamheidbeweging alle - ook sociale - media in om een veel grotere groep burgers te bereiken met de boodschap uit dit essay: Er is sprake van bewuste en onbewuste sabotage van de o-zo-noodzakelijke transitie naar een duurzame energiehuishouding. Maak er, voortbouwend op de speelse samenvatting waarmee Van Soest het essay afsluit, een YouTube-filmpje van, verspreid het op Hyves en Facebook, en zoek draagvlak voor een documentaire of een film. Zegt het voort!
Arthur ten Wolde,
senior consultant IMSA Amsterdam
arthur.ten.wolde@imsa.nl
Klompen in de machinerie. Bewuste en onbewuste sabotage van de transitie naar een duurzame energiehuishouding. Essay (tweeluik) voor Raad Leefomgeving en Infrastructuur. Uitgave van De Gemeynt, 2011, zie www.gemeynt.nl
(knop: publicaties)
De wereldeconomie put natuurlijke hulpbronnen uit. Europa kan binnen tien jaar te maken krijgen met tekort aan grondstoffen. Klimaatverandering dreigt. Soorten sterven massaal uit. Maar duurzaamheid is ook vol kansen, cool en leuk, zoals rijden in elektrische auto's en zelf stroom opwekken met zonnepanelen.
woensdag 21 december 2011
woensdag 28 september 2011
Aankondiging Vrijplaats op Springtij "Ervaar Innerlijke Duurzaamheid: Omgaan met angst voor doemscenario's"
Op: Springtij Festival 2011: Zie http://www.springtijfestival.nl/2011
Tijd: zaterdag 1 oktober 2011, 13:00 – 14:15 uur
Plaats: Zeevaartschool, Terschelling
Methode: meditatie + open inquiry
Door Arthur ten Wolde
Deze Vrijplaats is bedoeld om jezelf en elkaar inzicht te geven in het omgaan met angst voor doemscenario's. Hoe ga je om met je gevoelens na het lezen van weinig opbeurende boeken zoals Zes Graden van Mark Lynas, over de gevolgen van klimaatverandering? Met de berichtenstroom over het uitsterven van soorten? En met de vele sombere toekomstscenario's van de Club van Rome naast slechts één duurzaam scenario, waar we niet op afstevenen? Sla je zulke berichtgeving over, word je er neerslachtig van? Hoe ervaar jij het, hoe ervaren anderen het, hoe kun je ermee omgaan en op een hoopvolle manier naar de toekomst kijken?
Om deze vragen te onderzoeken gebruiken we de methode van open inquiry zoals ontwikkeld en toegepast door A.H. Almaas en de Rhidwan school. Voor de precieze invulling van deze sessie heb ik dankbaar gebruik gemaakt van de input van Marlou Elsen. Na 15 minuten meditatie volgt een tweegesprek van twee keer 15 minuten waarbinnen aandachtig naar elkaar luisteren centraal staat. We beëindigen de sessie met een korte plenaire uitwisseling over eigen ervaringen.
Aanbevolen literatuur:
• De aarde heeft koorts, door Erik van Praag, Jan Paul van Soest, Judy McAllister. Dit boek bevat concrete handvatten voor het omgaan met angst voor klimaatverandering.
• The Power of Now: A Guide to Spiritual Enlightenment, door Eckhart Tolle
• Spacecruiser Inquiry, True Guidance for the Inner Journey, A.H. Almaas. Dit boek bevat vele praktische voorbeelden van open inquiries.
• The Pearl Beyond Price. Integration of Personality into Being: An Object-Relations Approach. A.H. Almaas
Tijd: zaterdag 1 oktober 2011, 13:00 – 14:15 uur
Plaats: Zeevaartschool, Terschelling
Methode: meditatie + open inquiry
Door Arthur ten Wolde
Deze Vrijplaats is bedoeld om jezelf en elkaar inzicht te geven in het omgaan met angst voor doemscenario's. Hoe ga je om met je gevoelens na het lezen van weinig opbeurende boeken zoals Zes Graden van Mark Lynas, over de gevolgen van klimaatverandering? Met de berichtenstroom over het uitsterven van soorten? En met de vele sombere toekomstscenario's van de Club van Rome naast slechts één duurzaam scenario, waar we niet op afstevenen? Sla je zulke berichtgeving over, word je er neerslachtig van? Hoe ervaar jij het, hoe ervaren anderen het, hoe kun je ermee omgaan en op een hoopvolle manier naar de toekomst kijken?
Om deze vragen te onderzoeken gebruiken we de methode van open inquiry zoals ontwikkeld en toegepast door A.H. Almaas en de Rhidwan school. Voor de precieze invulling van deze sessie heb ik dankbaar gebruik gemaakt van de input van Marlou Elsen. Na 15 minuten meditatie volgt een tweegesprek van twee keer 15 minuten waarbinnen aandachtig naar elkaar luisteren centraal staat. We beëindigen de sessie met een korte plenaire uitwisseling over eigen ervaringen.
Aanbevolen literatuur:
• De aarde heeft koorts, door Erik van Praag, Jan Paul van Soest, Judy McAllister. Dit boek bevat concrete handvatten voor het omgaan met angst voor klimaatverandering.
• The Power of Now: A Guide to Spiritual Enlightenment, door Eckhart Tolle
• Spacecruiser Inquiry, True Guidance for the Inner Journey, A.H. Almaas. Dit boek bevat vele praktische voorbeelden van open inquiries.
• The Pearl Beyond Price. Integration of Personality into Being: An Object-Relations Approach. A.H. Almaas
woensdag 21 september 2011
Duitse deskundigen: voorzichtig met nanomaterialen
Dit bericht is gepubliceerd op http://www.nanoplaza.nl/2011/09/duitse-deskundigen-voorzichtig-met-nanomaterialen/ op 21 september 2011
Begin september adviseerde de Duitse milieuadviesraad SRU (Sachverständigenrat für Umweltfragen) een voorzichtiger omgang met toepassingen van nanomaterialen. De EU-stoffenrichtlijn REACH moet voor nanomaterialen meer op het voorzorgbeginsel worden gebaseerd, aldus SRU. Deze dienen ook te worden geëtiketteerd, en de producttoelating en registratiesystemen vernieuwd. De aanbevelingen zijn opgenomen in een lijvig rapport over de huidige regelgeving op nanomaterialen in Duitsland. De SRU-raad, bestaande uit zeven milieudeskundigen, adviseert de Duitse regering.
Door Arthur ten Wolde*
Duitse en de EU-wetgeving voorzien op zichzelf al in een op voorzorg gebaseerde aanpak van nieuwe technologieën, stelt het rapport. Dit is vooral belangrijk voor nanotechnologie, die nieuwe risico’s oplevert en sneller producten ontwikkelt dan de methoden om de veiligheid daarvan te testen. De Europese Commissie herziet momenteel de behandeling van nanomaterialen in REACH als onderdeel van een bredere herziening.
De SRU wil dat nanodeeltjes afzonderlijk worden geregistreerd van de bulkvariant. Er moet ook een registratieplicht voor nanomaterialen komen, waarvan minder dan een ton per jaar in de EU wordt gemaakt of ingevoerd. Verder wordt gepleit voor een veiligheidsbeoordeling van nanostoffen, waarvoor theoretische – maar wel gefundeerde – reden tot zorg bestaat.
SRU stelt voor bedrijven die nanomaterialen vervaardigen of gebruiken automatisch te laten vallen onder het kader van de milieuwetgeving gericht op het minimaliseren van vervuilingsrisico’s. Ook moet er een semi-openbaar register voor producten komen die gefabriceerde nanodeeltjes bevatten. De Duitse minister van Milieu Norbert Röttgen is al verklaard voorstander van een productregistratie voor nanomaterialen. Ten slotte moet de EU-definitie van nanodeeltjes worden uitgebreid tot afmetingen tot 300 nanometer, in plaats van 100 nm.
Al met al vergaande en zinvolle aanbevelingen. Alleen etikettering lijkt minder relevant omdat de consument primair is gebaat bij veilige producten. En de bovengrens van 300 nm gaat wel erg ver.
De Duitse milieuorganisatie BUND herhaalde zijn oproep dat nanozilver moet worden verboden in consumentengoederen totdat er meer informatie beschikbaar is over de gezondheids- en milieu-effecten. Eerder bracht het Duitse BfR al negatief advies uit over nanozilver. Duitsland neemt duidelijk het voortouw in de discussie.
Intussen steggelt de EU maar door over de definitie van nanotechnologie. Nederland wacht af. Hopelijk legt dit advies ook Europees zoveel gewicht in de schaal dat er nu op afzienbare termijn eindelijk besluiten worden genomen over regelgeving die de consument afdoende zal beschermen. Een stevige stakeholderdiscussie over nanomaterialen zou dit kunnen bevorderen.
Begin september adviseerde de Duitse milieuadviesraad SRU (Sachverständigenrat für Umweltfragen) een voorzichtiger omgang met toepassingen van nanomaterialen. De EU-stoffenrichtlijn REACH moet voor nanomaterialen meer op het voorzorgbeginsel worden gebaseerd, aldus SRU. Deze dienen ook te worden geëtiketteerd, en de producttoelating en registratiesystemen vernieuwd. De aanbevelingen zijn opgenomen in een lijvig rapport over de huidige regelgeving op nanomaterialen in Duitsland. De SRU-raad, bestaande uit zeven milieudeskundigen, adviseert de Duitse regering.
Door Arthur ten Wolde*
Duitse en de EU-wetgeving voorzien op zichzelf al in een op voorzorg gebaseerde aanpak van nieuwe technologieën, stelt het rapport. Dit is vooral belangrijk voor nanotechnologie, die nieuwe risico’s oplevert en sneller producten ontwikkelt dan de methoden om de veiligheid daarvan te testen. De Europese Commissie herziet momenteel de behandeling van nanomaterialen in REACH als onderdeel van een bredere herziening.
De SRU wil dat nanodeeltjes afzonderlijk worden geregistreerd van de bulkvariant. Er moet ook een registratieplicht voor nanomaterialen komen, waarvan minder dan een ton per jaar in de EU wordt gemaakt of ingevoerd. Verder wordt gepleit voor een veiligheidsbeoordeling van nanostoffen, waarvoor theoretische – maar wel gefundeerde – reden tot zorg bestaat.
SRU stelt voor bedrijven die nanomaterialen vervaardigen of gebruiken automatisch te laten vallen onder het kader van de milieuwetgeving gericht op het minimaliseren van vervuilingsrisico’s. Ook moet er een semi-openbaar register voor producten komen die gefabriceerde nanodeeltjes bevatten. De Duitse minister van Milieu Norbert Röttgen is al verklaard voorstander van een productregistratie voor nanomaterialen. Ten slotte moet de EU-definitie van nanodeeltjes worden uitgebreid tot afmetingen tot 300 nanometer, in plaats van 100 nm.
Al met al vergaande en zinvolle aanbevelingen. Alleen etikettering lijkt minder relevant omdat de consument primair is gebaat bij veilige producten. En de bovengrens van 300 nm gaat wel erg ver.
De Duitse milieuorganisatie BUND herhaalde zijn oproep dat nanozilver moet worden verboden in consumentengoederen totdat er meer informatie beschikbaar is over de gezondheids- en milieu-effecten. Eerder bracht het Duitse BfR al negatief advies uit over nanozilver. Duitsland neemt duidelijk het voortouw in de discussie.
Intussen steggelt de EU maar door over de definitie van nanotechnologie. Nederland wacht af. Hopelijk legt dit advies ook Europees zoveel gewicht in de schaal dat er nu op afzienbare termijn eindelijk besluiten worden genomen over regelgeving die de consument afdoende zal beschermen. Een stevige stakeholderdiscussie over nanomaterialen zou dit kunnen bevorderen.
vrijdag 24 juni 2011
Geen draagvlak voor stakeholderdialoog nanodeeltjes
Gepubliceerd op http://www.nanoplaza.nl/2011/06/stakeholderdialoog/ op 22 juni 2011
Er is in Nederland voorlopig geen draagvlak voor een stakeholderdialoog over de risico’s van nanodeeltjes. Dat bleek uit een kleine rondgang van IMSA Amsterdam langs verschillende vertegenwoordigers van overheden, bedrijfsleven en non-gouvernementele organisaties (NGO’s).
De meeste gesprekspartners vonden het best een goed idee. Diverse partijen waren graag bereid mee te werken aan een dialoog, mits een ander bereid was het proces te trekken (lees: financieren). De trekker had uit het bedrijfsleven moeten komen. Echter, geen enkel bedrijf bleek momenteel bereid het voortouw te nemen. Bovendien steunt het bedrijfsleven als geheel het huidige kabinetsbeleid, waarin een stakeholderdialoog niet voorkomt.
Ook aarzelen bedrijven om tijd en moeite te steken in een Nederlandse exercitie als deze vervolgens op het Europese speelveld nog eens dunnetjes moet worden overgedaan. Voor aanhaken bij het Franse initiatief voor registratie van nanoproducten is weinig animo, onder meer omdat deze mogelijk een veel te ruime definitie van nanodeeltjes hanteert.
Intussen blijft de overheid wachten op een Europese definitie van nanotechnologie. Positief is wel dat staatssecretaris Joop Atsma aandringt op snelheid. Ook laat hij een reeks invallen bij bedrijven uitvoeren opdat deze alert zijn op de veiligheid van werknemers die werken met nanodeeltjes.
Maar intussen is de veiligheid van consument en milieu de komende jaren in het geding. Wat doet de Nederlandse overheid bijvoorbeeld met het advies van het Duitse BfR om het gebruik van nanozilver in levensmiddelen en producten voor dagelijks gebruik op te schorten, totdat voldoende gegevens beschikbaar zijn voor een definitieve bepaling van de gezondheidsrisico’s?
De achterliggende reden waarom een stakeholderdialoog niet op gang komt, is het gebrek aan urgentie. De lijst van het World Economic Forum met bedreigingen voor de mensheid wordt aangevoerd door klimaatverandering, de kredietcrisis en schommelende energieprijzen. Kerncentrales staan er niet eens op… (aardbevingen wel). Nanodeeltjes vallen onder de noemer ‘Bedreigingen van nieuwe technologieën’, die bijna onderaan staat.
Het is de vraag of dat terecht is. Vooruitlopend op de uiteindelijke definitie van ‘nano’ lijkt het van groot belang de risico’s van nanodeeltjes snel beter te bepalen en te ranken in deze lijst. Maak daar, zoals ook bepleit door Natuur en Milieu, in elk geval meer Europees geld voor vrij. Zodat we mogelijke nano-problemen voor mens en milieu tijdig onderkennen en kunnen voorkomen.
Er is in Nederland voorlopig geen draagvlak voor een stakeholderdialoog over de risico’s van nanodeeltjes. Dat bleek uit een kleine rondgang van IMSA Amsterdam langs verschillende vertegenwoordigers van overheden, bedrijfsleven en non-gouvernementele organisaties (NGO’s).
De meeste gesprekspartners vonden het best een goed idee. Diverse partijen waren graag bereid mee te werken aan een dialoog, mits een ander bereid was het proces te trekken (lees: financieren). De trekker had uit het bedrijfsleven moeten komen. Echter, geen enkel bedrijf bleek momenteel bereid het voortouw te nemen. Bovendien steunt het bedrijfsleven als geheel het huidige kabinetsbeleid, waarin een stakeholderdialoog niet voorkomt.
Ook aarzelen bedrijven om tijd en moeite te steken in een Nederlandse exercitie als deze vervolgens op het Europese speelveld nog eens dunnetjes moet worden overgedaan. Voor aanhaken bij het Franse initiatief voor registratie van nanoproducten is weinig animo, onder meer omdat deze mogelijk een veel te ruime definitie van nanodeeltjes hanteert.
Intussen blijft de overheid wachten op een Europese definitie van nanotechnologie. Positief is wel dat staatssecretaris Joop Atsma aandringt op snelheid. Ook laat hij een reeks invallen bij bedrijven uitvoeren opdat deze alert zijn op de veiligheid van werknemers die werken met nanodeeltjes.
Maar intussen is de veiligheid van consument en milieu de komende jaren in het geding. Wat doet de Nederlandse overheid bijvoorbeeld met het advies van het Duitse BfR om het gebruik van nanozilver in levensmiddelen en producten voor dagelijks gebruik op te schorten, totdat voldoende gegevens beschikbaar zijn voor een definitieve bepaling van de gezondheidsrisico’s?
De achterliggende reden waarom een stakeholderdialoog niet op gang komt, is het gebrek aan urgentie. De lijst van het World Economic Forum met bedreigingen voor de mensheid wordt aangevoerd door klimaatverandering, de kredietcrisis en schommelende energieprijzen. Kerncentrales staan er niet eens op… (aardbevingen wel). Nanodeeltjes vallen onder de noemer ‘Bedreigingen van nieuwe technologieën’, die bijna onderaan staat.
Het is de vraag of dat terecht is. Vooruitlopend op de uiteindelijke definitie van ‘nano’ lijkt het van groot belang de risico’s van nanodeeltjes snel beter te bepalen en te ranken in deze lijst. Maak daar, zoals ook bepleit door Natuur en Milieu, in elk geval meer Europees geld voor vrij. Zodat we mogelijke nano-problemen voor mens en milieu tijdig onderkennen en kunnen voorkomen.
woensdag 6 april 2011
PCCC publiceert de ‘Staat van het Klimaat 2010’
Staatssecretaris Atsma van Milieu ontving op 5 april 2011 het eerste exemplaar van de ‘Staat van het Klimaat 2010’. De publicatie geeft een overzicht van klimaatontwikkelingen in het afgelopen jaar. Het is een uitgave van de onderzoeksinstellingen die samenwerken binnen het PCCC.
Een groot deel van het rapport gaat in op het boek van Marcel Crok. De deskundigen maken met hun analyse en literatuurverwijzingen duidelijk dat deze op veel punten en op hoofdlijnen een eenzijdig beeld schetst. De opwarming van de aarde valt NIET mee.
Zie http://www.klimaatportaal.nl/pro1/general/start.asp?i=0&j=0&k=0&p=0&itemid=1029
Een groot deel van het rapport gaat in op het boek van Marcel Crok. De deskundigen maken met hun analyse en literatuurverwijzingen duidelijk dat deze op veel punten en op hoofdlijnen een eenzijdig beeld schetst. De opwarming van de aarde valt NIET mee.
Zie http://www.klimaatportaal.nl/pro1/general/start.asp?i=0&j=0&k=0&p=0&itemid=1029
donderdag 24 maart 2011
Nanopolitiek
Op 17 februari jongsleden vond in de Tweede Kamer een debat plaats over nanotechnologie. Minister Verhagen (EL&I) en staatssecretaris Atsma (I&M) kwamen daarbij wel erg gemakkelijk weg met de kabinetslijn, die ik zou willen samenvatten als “we wachten op Europa”.
Door Arthur ten Wolde*
Wat was er aan de hand? In 2009 heeft de Kamer, op initiatief van Sharon Gesthuizen (SP) en gesteund door de PvdA, een Kamerbrede motie (PDF, 47 kB) aangenomen die aandringt op snelle invoering van een meldplicht voor producten die nanodeeltjes bevatten. Dit houdt in dat bedrijven, die deze producten op de markt brengen, dit moeten melden bij de autoriteiten. Er is namelijk een kleine kans dat sommige van deze producten een risico vormen voor mens en milieu. En er zijn er inmiddels circa 1300 van op de markt.
Ontspannen achteroverleunend loodste Verhagen zijn nanopolitiek door de Kamer. Hij had het dossier zo te zien grondig en efficiënt bestudeerd. Er gaat veel geld naar onderzoek, dus wetenschappelijk kan Nederland aan kop blijven lopen. De motie van Gesthuizen wordt “Europees uitgevoerd”. Maar dat schiet toch totaal niet op? Toch wel. “Ik ben Europa. Wij zijn Europa”, aldus Verhagen.
Atsma sloot het front. Opvallend voor een milieuminister, zeker gezien de ruimte die het regeerakkoord biedt: dat wat beter op het niveau van de lidstaten kan worden geregeld, moet niet in Brussel worden besloten. Maar de EU steggelt toch al eindeloos over de definitie van nanotechnologie? Waar hangt dat eigenlijk op? Uiterlijk in mei bericht hij de Kamer daarover.
Dat is mooi, maar waarom heeft de Tweede Kamer niet voorgesteld om gewoon aan te sluiten bij het Franse initiatief om een nationale meldplicht in te voeren? Nu gaat het nog jaren duren voor de productveiligheid in Europa goed is geregeld. Intussen is het wachten op een incident dat de hele nanosector een slechte naam bezorgt.
Werkgeversorganisatie VNO-NCW heeft al aangegeven de beleidslijn van het kabinet te steunen. Naast de Tweede Kamer zijn vooral de toonaangevende nanospelers in het bedrijfsleven aan zet om aan te geven dat er meer nodig is.
* Arthur ten Wolde is gepromoveerd natuurkundige, en werkt nu als senior consultant bij IMSA Amsterdam, een onafhankelijk adviesbureau en denktank voor duurzaamheid en innovatie.
Dit bericht is op 23 maart 2011 gepubliceerd op NanoPlaza, zie http://www.nanoplaza.nl/2011/03/nanopolitiek/
Door Arthur ten Wolde*
Wat was er aan de hand? In 2009 heeft de Kamer, op initiatief van Sharon Gesthuizen (SP) en gesteund door de PvdA, een Kamerbrede motie (PDF, 47 kB) aangenomen die aandringt op snelle invoering van een meldplicht voor producten die nanodeeltjes bevatten. Dit houdt in dat bedrijven, die deze producten op de markt brengen, dit moeten melden bij de autoriteiten. Er is namelijk een kleine kans dat sommige van deze producten een risico vormen voor mens en milieu. En er zijn er inmiddels circa 1300 van op de markt.
Ontspannen achteroverleunend loodste Verhagen zijn nanopolitiek door de Kamer. Hij had het dossier zo te zien grondig en efficiënt bestudeerd. Er gaat veel geld naar onderzoek, dus wetenschappelijk kan Nederland aan kop blijven lopen. De motie van Gesthuizen wordt “Europees uitgevoerd”. Maar dat schiet toch totaal niet op? Toch wel. “Ik ben Europa. Wij zijn Europa”, aldus Verhagen.
Atsma sloot het front. Opvallend voor een milieuminister, zeker gezien de ruimte die het regeerakkoord biedt: dat wat beter op het niveau van de lidstaten kan worden geregeld, moet niet in Brussel worden besloten. Maar de EU steggelt toch al eindeloos over de definitie van nanotechnologie? Waar hangt dat eigenlijk op? Uiterlijk in mei bericht hij de Kamer daarover.
Dat is mooi, maar waarom heeft de Tweede Kamer niet voorgesteld om gewoon aan te sluiten bij het Franse initiatief om een nationale meldplicht in te voeren? Nu gaat het nog jaren duren voor de productveiligheid in Europa goed is geregeld. Intussen is het wachten op een incident dat de hele nanosector een slechte naam bezorgt.
Werkgeversorganisatie VNO-NCW heeft al aangegeven de beleidslijn van het kabinet te steunen. Naast de Tweede Kamer zijn vooral de toonaangevende nanospelers in het bedrijfsleven aan zet om aan te geven dat er meer nodig is.
* Arthur ten Wolde is gepromoveerd natuurkundige, en werkt nu als senior consultant bij IMSA Amsterdam, een onafhankelijk adviesbureau en denktank voor duurzaamheid en innovatie.
Dit bericht is op 23 maart 2011 gepubliceerd op NanoPlaza, zie http://www.nanoplaza.nl/2011/03/nanopolitiek/
woensdag 9 maart 2011
Reactie op Colum in Trouw van Sebastien Valkenberg "over doemscenario’s die door de techniek achterhaald worden" d.d. 3 maart 2011
Sebastien Valkenberg haalt hard uit naar de Club van Rome als apocalyptische “onheilsprofeet” die ons tot in de badkamer een schuldgevoel zou aanpraten (Verdieping, 3 maart). Niet alleen is zijn kritiek niet nieuw, je mag van een filosoof op zijn minst verwachten dat hij de rapporten die hij bekritiseert ook goed heeft gelezen. Dat is hier duidelijk niet het geval. Hij verwijt de Club van Rome dat deze de factor innovatie vergeten is, maar in de “Grenzen aan de Groei” publicaties van 1972 en 1974 wordt hiermee wel degelijk rekening gehouden via scenario’s waarin de natuurlijke hulpbronnen meer of minder snel opraken. De update uit 2004 beschrijft bovendien een apart scenario met zeer optimistische technologische aannames. Zelfs in dat geval lopen we de komende eeuw aan tegen de grenzen aan de groei.
Het Planbureau voor de Leefomgeving en de Australische organisatie CSIRO hebben onlangs bevestigd dat de wereld zich ruwweg volgens het standaardscenario uit 1974 ontwikkelt. Dit scenario laat zien dat we afstevenen op overshoot en collapse. Niet om de enkele reden dat de olie op raakt – daar doen de modellen in tegenstelling tot wat Valkenberg beweert geen expliciete uitspraak over - maar omdat alle natuurlijke hulpbronnen met steeds meer kapitaal en milieuschade gewonnen moeten worden. Schuldgevoel heeft weinig zin, maar lees eerst deze publicaties eens in plaats van eindeloos te douchen.
Arthur ten Wolde en George Wurpel, IMSA Amsterdam
Het Planbureau voor de Leefomgeving en de Australische organisatie CSIRO hebben onlangs bevestigd dat de wereld zich ruwweg volgens het standaardscenario uit 1974 ontwikkelt. Dit scenario laat zien dat we afstevenen op overshoot en collapse. Niet om de enkele reden dat de olie op raakt – daar doen de modellen in tegenstelling tot wat Valkenberg beweert geen expliciete uitspraak over - maar omdat alle natuurlijke hulpbronnen met steeds meer kapitaal en milieuschade gewonnen moeten worden. Schuldgevoel heeft weinig zin, maar lees eerst deze publicaties eens in plaats van eindeloos te douchen.
Arthur ten Wolde en George Wurpel, IMSA Amsterdam
woensdag 23 februari 2011
Sharon Gesthuizen en Arthur ten Wolde toegevoegd als blogger bij NanoPlaza
Nadat vorige week de namen van Miriam Rasch en de wetenschapsredactie van het Reformatorisch Dagblad konden worden gepresenteerd als eerste bloggers voor NanoPlaza, kunnen nu ook de namen van Sharon Gesthuizen en Arthur ten Wolde worden toegevoegd. NanoPlaza bericht met grote regelmaat over de voors en tegens van nanotechnologie. De website is aan niemand of niets gelieerd. NanoPlaza is een initiatief van Frits de Jong (www.nanoplaza.nl).
Sharon Gesthuizen is is sinds 30 november 2006 lid van de Tweede Kamerfractie van de SP, en woordvoerder Economische Zaken en Justitie. Haar eerste bijdrage is eind maart te verwachten.
Arthur ten Wolde werkt als senior consultant bij IMSA Amsterdam, een onafhankelijk adviesbureau en denktank voor duurzaamheid en innovatie. Ten Wolde is gepromoveerd natuurkundige en werkte eerder voor Shell, Stichting Toekomstbeeld der Techniek (STT), en als secretaris Technologiebeleid voor de Vereniging VNO-NCW. De eerste bijdrage van Ten Wolde, waarvan op donderdag 17 februari in nrc.next een door hem en Sijas Akkerman geschreven opinieverhaal verscheen (‘Fabrikant moet nanodeeltjes vermelden’), wordt geplaatst op woensdag 23 maart.
Sharon Gesthuizen is is sinds 30 november 2006 lid van de Tweede Kamerfractie van de SP, en woordvoerder Economische Zaken en Justitie. Haar eerste bijdrage is eind maart te verwachten.
Arthur ten Wolde werkt als senior consultant bij IMSA Amsterdam, een onafhankelijk adviesbureau en denktank voor duurzaamheid en innovatie. Ten Wolde is gepromoveerd natuurkundige en werkte eerder voor Shell, Stichting Toekomstbeeld der Techniek (STT), en als secretaris Technologiebeleid voor de Vereniging VNO-NCW. De eerste bijdrage van Ten Wolde, waarvan op donderdag 17 februari in nrc.next een door hem en Sijas Akkerman geschreven opinieverhaal verscheen (‘Fabrikant moet nanodeeltjes vermelden’), wordt geplaatst op woensdag 23 maart.
vrijdag 18 februari 2011
Lomborg moet gaan werken voor de duurzame energiesector
Investeren in duurzame energie schept wel degelijk werkgelegenheid, betogen hoogleraren Frans Berkhout, Reyer Gerlagh en Jan Rotmans op 18 februari 2011 in NRC Handelsblad. Bjørn Lomborg beweert van niet, namelijk. Lomborg citeert uit het recente Gülenrapport over groene banen, maar dat rapport is methodisch, niet inhoudelijk. Het is gewoon moeilijk om groene banen te definiëren. De energietransitie leidt wel degelijk tot nieuwe banen rond schone energie, geven ook Rolf de Vos en Max Rathman van Ecofys in dezelfde krant aan. Een recent onderzoek kwam uit op meer dan 1,4 miljoen banen in Europa rond duurzame energie in 2004. De transitie leidt ook tot krimp in traditionele sectoren, zoals de fossiele energiesector. Dat is pijnlijk voor mensen die hun baan verliezen, maar niet voor de werkgelegenheid als geheel.
Mondiaal gezien is schone energie een van de snelst groeiende sectoren, met dertig procent groei in private investeringen in het afgelopen jaar volgens de Wall Street Journal. De meeste groene banen worden gecreëerd zonder subsidie.
De auteurs wijzen ook op de ontwikkeling in Lomborgs standpunten: eerst klimaatscepticus. Toen moest hij toegeven dat het klimaat toch echt verandert, maar zei er meteen bij dat het te duur was om er iets tegen te doen. En nu beweert hij dat het wel kan, maar dat het niets oplevert.
Mijn conclusie is het volgende.
Lomborg pleit consequent tegen maatregelen die de fossiele energiesector schaden. Dat maakt hem natuurlijk een populaire spreker bij bedrijven zoals Exxon, zoals Jim Hoggan op zijn blog aangeeft. Hij haalt er maar wat argumenten bij, consequentie doet totaal niet ter zake. Zijn pleidooi voor investeringen in onderzoek naar duurzame energie is natuurlijk volslagen nep, en bedoeld om ons om te tuin te leiden. Hij doet net of hij voor duurzame energie is en of hij nuchter de voor- en nadelen afweegt, waardoor hij aan geloofwaardigheid wint. Niets daarvan, hij is slechts een sluwe woordkunstenaar, we nemen hem veel te serieus!
Zijn pleidooi voor onderzoek naar duurzame energie geeft wel aan dat deze antilobby langzamerhand aan het eind van zijn latijn is. Zonne-energie is bijna commercieel. Het wordt tijd dat Lomborg zijn geldstroom in het lezingcircuit verlegt naar de duurzame energiesector - en gaat pleiten voor snelle invoering van duurzame energie!...
Bronnen:
http://www.nrc.nl
http://www.desmogblog.com/bjorn-lomborg%E2%80%99s-climate-confusionist-spin-never-ending
Mondiaal gezien is schone energie een van de snelst groeiende sectoren, met dertig procent groei in private investeringen in het afgelopen jaar volgens de Wall Street Journal. De meeste groene banen worden gecreëerd zonder subsidie.
De auteurs wijzen ook op de ontwikkeling in Lomborgs standpunten: eerst klimaatscepticus. Toen moest hij toegeven dat het klimaat toch echt verandert, maar zei er meteen bij dat het te duur was om er iets tegen te doen. En nu beweert hij dat het wel kan, maar dat het niets oplevert.
Mijn conclusie is het volgende.
Lomborg pleit consequent tegen maatregelen die de fossiele energiesector schaden. Dat maakt hem natuurlijk een populaire spreker bij bedrijven zoals Exxon, zoals Jim Hoggan op zijn blog aangeeft. Hij haalt er maar wat argumenten bij, consequentie doet totaal niet ter zake. Zijn pleidooi voor investeringen in onderzoek naar duurzame energie is natuurlijk volslagen nep, en bedoeld om ons om te tuin te leiden. Hij doet net of hij voor duurzame energie is en of hij nuchter de voor- en nadelen afweegt, waardoor hij aan geloofwaardigheid wint. Niets daarvan, hij is slechts een sluwe woordkunstenaar, we nemen hem veel te serieus!
Zijn pleidooi voor onderzoek naar duurzame energie geeft wel aan dat deze antilobby langzamerhand aan het eind van zijn latijn is. Zonne-energie is bijna commercieel. Het wordt tijd dat Lomborg zijn geldstroom in het lezingcircuit verlegt naar de duurzame energiesector - en gaat pleiten voor snelle invoering van duurzame energie!...
Bronnen:
http://www.nrc.nl
http://www.desmogblog.com/bjorn-lomborg%E2%80%99s-climate-confusionist-spin-never-ending
donderdag 17 februari 2011
Fabrikant moet nanodeeltjes vermelden
Gepubliceerd in NRC Handelsblad, Opinie, 16 februari 2011
De Tweede Kamer vergadert morgen over nanotechnologie. “Nano” betekent klein, een miljoenste deel van een millimeter. Nanostructuren kunnen overal in zitten: van koffiemelkpoeder tot sokken, en van koelkasten tot gezichtscrèmes. Naar schatting zit het al in meer dan duizend consumentenproducten. Wetenschappers zien grote mogelijkheden, maar ook risico’s in het toepassen van nanotechnologie. Nanotechnologie is van belang voor topbedrijven zoals DSM, AkzoNobel, Dow, Philips en ASML. Tegelijk komen de meeste nanoproducten via import ons land in. Omdat er nog veel onbekend is over de risico’s is het nodig dat minister Schippers (Volksgezondheid, VVD) en staatssecretaris Atsma (Milieu, CDA) de veiligheid waarborgen voor mens en milieu.
Het kabinet zet in op nano, ondanks de grote onzekerheden over de risico’s van de superkleine deeltjes. Ook Nederlandse burgers willen verder met nanotechnologie, maar alleen als de overheid garandeert dat nanotoepassingen veilig zijn. Dat blijkt uit de door de overheid zelf georganiseerde ‘Maatschappelijke Dialoog Nanotechnologie’.
Titaandioxidenanodeeltjes zitten als uv-filter in gezichts- en zonnebrandcrèmes. Onder bepaalde omstandigheden kunnen die minieme deeltjes door de huid heen dringen. Wat onverwachte, toxische reacties op kan leveren in lichaamsweefsel van mens en dier. Onderzoek waarbij bijvoorbeeld grote hoeveelheden titaandioxide nanodeeltjes aan proefdieren werden gevoerd, wijzen uit dat onder bepaalde omstandigheden onstekingsreacties en zelfs kanker behoren tot de risico’s. Meer onderzoek is nodig om conclusies te kunnen trekken voor de mens. Hoe dan ook is cruciaal dat de nanodeeltjes goed zijn gecoat. We weten niet of dat bij alle producten het geval is.
Nanozilver zit als antibacterieel middel in sokken, koelkasten en op toetsenborden. Bekend is dat nanozilver doorgaat met zijn antibacteriële werking als het bijvoorbeeld via het wassen van kleding in het milieu terechtkomt. Ook kan een ruime toepassing van nanozilver mogelijk leiden tot resistentie van mensen tegen nanozilver. Dat zou als gevolg kunnen hebben dat de medische industrie nanozilver niet meer toe kan passen als desinfectans. Verder zijn er aanwijzingen dat nanozilver de kwaliteit van sperma negatief kan beïnvloeden. Het Duitse Nationale Instituut voor Risicobeoordeling BfR heeft in juni 2010 het advies gegeven om vooralsnog geen nanozilver in consumentenproducten toe te passen.
Nanosilica zit als antiklontermiddel in sommige koffiepoeders en poedersoepen. Pas afgelopen jaar is dit toegegeven door de Federatie Nederlandse Levensmiddelenindustrie. Het RIVM doet extra onderzoek naar de risico’s hiervan.
Natuurlijk is het belangrijk om in te spelen op de kansen die nanotechnologie ook biedt. Tegelijk is het nodig om incidenten te voorkomen. Niemand wil een herhaling van de problematische introductie van genetische gemodificeerde voedingsgewassen (gmo’s). Laat staan een scenario zoals we dat van asbest kennen. Normaal gesproken is er regelgeving die burgers beschermt tegen incidenten, maar het aanpassen en invoeren van belangrijkste Europese wet- en regelgeving voor de toelating van nanoproducten, REACH, kost nog twee tot vier jaar. Ondertussen is niet duidelijk of alle producten die nu op de markt zijn en komen, veilig zijn.
Daarom moeten Schippers en Atsma in de tussentijd extra maatregelen nemen. Dat begint met transparantie in de vorm van een snelle invoering van een meldplicht voor nanoproducten. Zo kunnen consumenten zelf bepalen of ze een product met nanodeeltjes willen kopen of niet. Een deel van het bedrijfsleven verzet zich tegen Nederlandse regelgeving, terwijl sommige bedrijven met nano in eigen producten zich aan het debat onttrekken. Dit vanuit de angst slapende honden wakker te maken. Volgens het Duitse Öko Institut is een register haalbaar en nuttig. Frankrijk werkt al aan een eigen nanoregister. Zelfs het Australische bedrijfsleven pleit voor meldplicht. De Duitse milieuminister wil meldplicht op Europese schaal.
Ook is er meer en beter gecoördineerd onderzoek nodig, te beginnen met het bijeen harken van de versnipperde testresultaten die diverse EU-onderzoeken hebben opgeleverd. Over de noodzaak van meer nanotoxicologisch onderzoek, internationale normen en testprotocollen bestaat brede consensus. Het kabinet moet daar op inzetten. Ook kan het Kabinet meer proefprojecten met branches opzetten, naar goed voorbeeld van de Nederlandse verf- en drukinktindustrie.
Om deze maatregelen snel in te voeren, is het goed als Tweede Kamer en regering het bestaande klankbordoverleg tussen overheid, bedrijfsleven, wetenschappers en maatschappelijke organisaties uitbreiden tot een onafhankelijk platform. Bovendien is het nodig de onafhankelijke publieksdialoog voort te zetten om de aanpak van de risico’s en nieuwe ontwikkelingen te bespreken, maar ook om het draagvlak te versterken voor de vele kansen die nanotechnologie biedt, zoals goedkopere zonnepanelen en nieuwe medicijnen.
Transparantie en dialoog maken geen slapende honden wakker, integendeel. Ze zorgen er voor dat overheid, bedrijfsleven, wetenschap en maatschappelijke organisaties de veiligheid van mens en milieu zo goed mogelijk kunnen waarborgen.
Arthur ten Wolde werkt als senior consultant bij denktank IMSA Amsterdam
Sijas Akkerman werkt als teammanager Landbouw en Economie bij Natuur &Milieu
De Tweede Kamer vergadert morgen over nanotechnologie. “Nano” betekent klein, een miljoenste deel van een millimeter. Nanostructuren kunnen overal in zitten: van koffiemelkpoeder tot sokken, en van koelkasten tot gezichtscrèmes. Naar schatting zit het al in meer dan duizend consumentenproducten. Wetenschappers zien grote mogelijkheden, maar ook risico’s in het toepassen van nanotechnologie. Nanotechnologie is van belang voor topbedrijven zoals DSM, AkzoNobel, Dow, Philips en ASML. Tegelijk komen de meeste nanoproducten via import ons land in. Omdat er nog veel onbekend is over de risico’s is het nodig dat minister Schippers (Volksgezondheid, VVD) en staatssecretaris Atsma (Milieu, CDA) de veiligheid waarborgen voor mens en milieu.
Het kabinet zet in op nano, ondanks de grote onzekerheden over de risico’s van de superkleine deeltjes. Ook Nederlandse burgers willen verder met nanotechnologie, maar alleen als de overheid garandeert dat nanotoepassingen veilig zijn. Dat blijkt uit de door de overheid zelf georganiseerde ‘Maatschappelijke Dialoog Nanotechnologie’.
Titaandioxidenanodeeltjes zitten als uv-filter in gezichts- en zonnebrandcrèmes. Onder bepaalde omstandigheden kunnen die minieme deeltjes door de huid heen dringen. Wat onverwachte, toxische reacties op kan leveren in lichaamsweefsel van mens en dier. Onderzoek waarbij bijvoorbeeld grote hoeveelheden titaandioxide nanodeeltjes aan proefdieren werden gevoerd, wijzen uit dat onder bepaalde omstandigheden onstekingsreacties en zelfs kanker behoren tot de risico’s. Meer onderzoek is nodig om conclusies te kunnen trekken voor de mens. Hoe dan ook is cruciaal dat de nanodeeltjes goed zijn gecoat. We weten niet of dat bij alle producten het geval is.
Nanozilver zit als antibacterieel middel in sokken, koelkasten en op toetsenborden. Bekend is dat nanozilver doorgaat met zijn antibacteriële werking als het bijvoorbeeld via het wassen van kleding in het milieu terechtkomt. Ook kan een ruime toepassing van nanozilver mogelijk leiden tot resistentie van mensen tegen nanozilver. Dat zou als gevolg kunnen hebben dat de medische industrie nanozilver niet meer toe kan passen als desinfectans. Verder zijn er aanwijzingen dat nanozilver de kwaliteit van sperma negatief kan beïnvloeden. Het Duitse Nationale Instituut voor Risicobeoordeling BfR heeft in juni 2010 het advies gegeven om vooralsnog geen nanozilver in consumentenproducten toe te passen.
Nanosilica zit als antiklontermiddel in sommige koffiepoeders en poedersoepen. Pas afgelopen jaar is dit toegegeven door de Federatie Nederlandse Levensmiddelenindustrie. Het RIVM doet extra onderzoek naar de risico’s hiervan.
Natuurlijk is het belangrijk om in te spelen op de kansen die nanotechnologie ook biedt. Tegelijk is het nodig om incidenten te voorkomen. Niemand wil een herhaling van de problematische introductie van genetische gemodificeerde voedingsgewassen (gmo’s). Laat staan een scenario zoals we dat van asbest kennen. Normaal gesproken is er regelgeving die burgers beschermt tegen incidenten, maar het aanpassen en invoeren van belangrijkste Europese wet- en regelgeving voor de toelating van nanoproducten, REACH, kost nog twee tot vier jaar. Ondertussen is niet duidelijk of alle producten die nu op de markt zijn en komen, veilig zijn.
Daarom moeten Schippers en Atsma in de tussentijd extra maatregelen nemen. Dat begint met transparantie in de vorm van een snelle invoering van een meldplicht voor nanoproducten. Zo kunnen consumenten zelf bepalen of ze een product met nanodeeltjes willen kopen of niet. Een deel van het bedrijfsleven verzet zich tegen Nederlandse regelgeving, terwijl sommige bedrijven met nano in eigen producten zich aan het debat onttrekken. Dit vanuit de angst slapende honden wakker te maken. Volgens het Duitse Öko Institut is een register haalbaar en nuttig. Frankrijk werkt al aan een eigen nanoregister. Zelfs het Australische bedrijfsleven pleit voor meldplicht. De Duitse milieuminister wil meldplicht op Europese schaal.
Ook is er meer en beter gecoördineerd onderzoek nodig, te beginnen met het bijeen harken van de versnipperde testresultaten die diverse EU-onderzoeken hebben opgeleverd. Over de noodzaak van meer nanotoxicologisch onderzoek, internationale normen en testprotocollen bestaat brede consensus. Het kabinet moet daar op inzetten. Ook kan het Kabinet meer proefprojecten met branches opzetten, naar goed voorbeeld van de Nederlandse verf- en drukinktindustrie.
Om deze maatregelen snel in te voeren, is het goed als Tweede Kamer en regering het bestaande klankbordoverleg tussen overheid, bedrijfsleven, wetenschappers en maatschappelijke organisaties uitbreiden tot een onafhankelijk platform. Bovendien is het nodig de onafhankelijke publieksdialoog voort te zetten om de aanpak van de risico’s en nieuwe ontwikkelingen te bespreken, maar ook om het draagvlak te versterken voor de vele kansen die nanotechnologie biedt, zoals goedkopere zonnepanelen en nieuwe medicijnen.
Transparantie en dialoog maken geen slapende honden wakker, integendeel. Ze zorgen er voor dat overheid, bedrijfsleven, wetenschap en maatschappelijke organisaties de veiligheid van mens en milieu zo goed mogelijk kunnen waarborgen.
Arthur ten Wolde werkt als senior consultant bij denktank IMSA Amsterdam
Sijas Akkerman werkt als teammanager Landbouw en Economie bij Natuur &Milieu
woensdag 12 januari 2011
Lithiumschaarste is broodje aap
Gepubliceerd in licht aangepaste vorm in het Financieele Dagblad d.d. 10-5-2010 onder de Kop "Lithium blokeert elekro-auto niet"
De elektrische auto biedt ons de mogelijkheid om in alle comfort te ontsnappen aan olieschaarste en luchtvervuiling. Het lijkt te mooi om waar te zijn. Misschien geloven daarom zoveel mensen dat lithium – net als olie – schaars is.
Laten we vooropstellen dat de vergelijking met olie mank gaat. Je hebt maar 10 kilo lithium nodig om een grote autobatterij te maken en dat lithium kan eindeloos hergebruikt worden. Een benzine-auto heeft tijdens zijn leven 10 duizend liter benzine nodig en die benzine kan niet hergebruikt worden. Verder staat een benzine-auto stil als de benzinetoevoer stopt. Een elektrische auto die eenmaal geproduceerd is heeft helemaal geen lithiumtoevoer meer nodig. In het hypothetische geval van een lithiumcrisis rijden alle elektrische auto’s dus vrolijk verder. Ten slotte kost het voor een elektrische auto benodigde lithium maar 200 euro.
Ook het verhaal dat lithium schaars is klopt niet. De US Geological Survey (een onafhankelijk samenwerkingsverband van duizenden wetenschappers) schat dat er 10 miljard kilo economisch winbare lithium is, genoeg om ons gehele wagenpark mee te elektrificeren. Met efficiëntere batterijen en hogere lithiumprijzen kan de hoeveelheid auto’s wereldwijd zelfs met een factor vijf tot tien groeien. En tegen die tijd is de huidige lithiumbatterij volgens experts al lang vervangen door iets nieuws.
Waar komt dat verhaal dat lithium schaars is dan toch vandaan? Om dat te kunnen bepalen bekeken we een flinke hoeveelheid artikelen en rapporten. Bijvoorbeeld van Reuters, The Boston Globe, De Pers, het Technisch Weekblad en het onlangs verschenen rapport Elektrisch rijden van het Planbureau van de Leefomgeving.
Wat blijkt? Alle artikelen en rapporten die een bron vermelden baseren hun verhalen over lithiumschaarste op dezelfde studie: The Trouble With Lithium, deel 1 en 2, van William Tahil.
Die studie is echter al lang en breed weerlegd. De gerenommeerde lithiumdeskundige Keith Evans heeft zelfs een uitgebreid rapport geschreven waarin hij ingaat op de vele fouten in de studie. Zo wordt er abusievelijk vanuit gegaan dat lithium nooit duurder kan worden en dat de technieken voor de winning ervan zich nooit verder zullen ontwikkelen.
De twijfel over de legitimiteit van de studie neemt toe voor wie de moeite neemt om de andere studies van William Tahil te bestuderen. Zijn dikste en bekendste “bewijst” bijvoorbeeld dat het World Trade Center in New York is ingestort doordat twee clandestiene kernreactoren onder de torens tot ontploffing werden gebracht.
Ten slotte doet de schrijver van de studie zich voor als de directeur onderzoek van een Frans onderzoeksbureau met de gewichtig klinkende naam Meridian International Research. In een telefonisch interview door Auke Hoekstra was de heer Tahil echter niet bereid om onze indruk weg te nemen dat hij de enige werknemer is van een bedrijf zonder ervaring in de lithiumindustrie en met onduidelijke financieringsbronnen.
Het blijkt maar weer dat weinig auteurs en media de moeite nemen om aan waarheidsvinding te doen. Zij googelen maar wat. Een standpunt pro en contra is gauw gevonden. Soms met enorme consequenties, zoals het blokkeren van duurzame ontwikkelingen.
Lithiumschaarste is een broodje aap. Gewoon investeren in elektrische auto’s dus.
Auke Hoekstra is directeur van Cleantech Strategies. Arthur ten Wolde werkt als senior consultant bij IMSA Amsterdam.
De elektrische auto biedt ons de mogelijkheid om in alle comfort te ontsnappen aan olieschaarste en luchtvervuiling. Het lijkt te mooi om waar te zijn. Misschien geloven daarom zoveel mensen dat lithium – net als olie – schaars is.
Laten we vooropstellen dat de vergelijking met olie mank gaat. Je hebt maar 10 kilo lithium nodig om een grote autobatterij te maken en dat lithium kan eindeloos hergebruikt worden. Een benzine-auto heeft tijdens zijn leven 10 duizend liter benzine nodig en die benzine kan niet hergebruikt worden. Verder staat een benzine-auto stil als de benzinetoevoer stopt. Een elektrische auto die eenmaal geproduceerd is heeft helemaal geen lithiumtoevoer meer nodig. In het hypothetische geval van een lithiumcrisis rijden alle elektrische auto’s dus vrolijk verder. Ten slotte kost het voor een elektrische auto benodigde lithium maar 200 euro.
Ook het verhaal dat lithium schaars is klopt niet. De US Geological Survey (een onafhankelijk samenwerkingsverband van duizenden wetenschappers) schat dat er 10 miljard kilo economisch winbare lithium is, genoeg om ons gehele wagenpark mee te elektrificeren. Met efficiëntere batterijen en hogere lithiumprijzen kan de hoeveelheid auto’s wereldwijd zelfs met een factor vijf tot tien groeien. En tegen die tijd is de huidige lithiumbatterij volgens experts al lang vervangen door iets nieuws.
Waar komt dat verhaal dat lithium schaars is dan toch vandaan? Om dat te kunnen bepalen bekeken we een flinke hoeveelheid artikelen en rapporten. Bijvoorbeeld van Reuters, The Boston Globe, De Pers, het Technisch Weekblad en het onlangs verschenen rapport Elektrisch rijden van het Planbureau van de Leefomgeving.
Wat blijkt? Alle artikelen en rapporten die een bron vermelden baseren hun verhalen over lithiumschaarste op dezelfde studie: The Trouble With Lithium, deel 1 en 2, van William Tahil.
Die studie is echter al lang en breed weerlegd. De gerenommeerde lithiumdeskundige Keith Evans heeft zelfs een uitgebreid rapport geschreven waarin hij ingaat op de vele fouten in de studie. Zo wordt er abusievelijk vanuit gegaan dat lithium nooit duurder kan worden en dat de technieken voor de winning ervan zich nooit verder zullen ontwikkelen.
De twijfel over de legitimiteit van de studie neemt toe voor wie de moeite neemt om de andere studies van William Tahil te bestuderen. Zijn dikste en bekendste “bewijst” bijvoorbeeld dat het World Trade Center in New York is ingestort doordat twee clandestiene kernreactoren onder de torens tot ontploffing werden gebracht.
Ten slotte doet de schrijver van de studie zich voor als de directeur onderzoek van een Frans onderzoeksbureau met de gewichtig klinkende naam Meridian International Research. In een telefonisch interview door Auke Hoekstra was de heer Tahil echter niet bereid om onze indruk weg te nemen dat hij de enige werknemer is van een bedrijf zonder ervaring in de lithiumindustrie en met onduidelijke financieringsbronnen.
Het blijkt maar weer dat weinig auteurs en media de moeite nemen om aan waarheidsvinding te doen. Zij googelen maar wat. Een standpunt pro en contra is gauw gevonden. Soms met enorme consequenties, zoals het blokkeren van duurzame ontwikkelingen.
Lithiumschaarste is een broodje aap. Gewoon investeren in elektrische auto’s dus.
Auke Hoekstra is directeur van Cleantech Strategies. Arthur ten Wolde werkt als senior consultant bij IMSA Amsterdam.
maandag 10 januari 2011
Recensie Marcel Croks boek "De staat van het klimaat"
Marcel Crok – De staat van het klimaat
Impressie van Arthur ten Wolde, 16 december 2010
• Gevaarlijk optimistisch: gaat voorbij aan het voorzorgbeginsel en schiet daarin tekort. Crok maakt op het eind een vrij bizarre draai dat klimaatbeleid ondanks alles belangrijk is en dat het veel beter moet. Dit soort zwakke redenaties, die voort lijken te komen uit Croks vooringenomen opvattingen, roepen bij voorbaat twijfel op over de redenaties in de rest van het boek, hoe doorwrocht ze voor een niet‐klimaatdeskundige ook mogen lijken.
• Interessant is vooral wat klimaatwetenschappers van het boek heel laten. We kennen de reactie van Gerard Komen.
• Actueel overzicht van de controverse: Bevat best de nodige nuances, Crok stemt zelf GroenLinks. Heeft duidelijk geprobeerd objectief te zijn. Dat is echter niet altijd goed gelukt. Tegelijkertijd ken ik zelf geen beter actueel overzicht van de controverse. Het was best leuk om te lezen.
• Ondermijnend: het is uiteindelijk een klimaatsceptisch boek dat het vertrouwen in de IPCC en de (klimaat)wetenschap ondermijnt. Dat vermindert ook het draagvlak voor snel en effectief emissiebeleid en stuurt ons nog meer de kant op die we al opgaan: groen beleid onder kapitalistische en nationalistische vlag, d.w.z. gericht op energiezekerheid en betaalbaarheid, en met kernenergie in plaats van CO2‐opslag.
• Eenzijdig en populistisch: boek helt op vele plaatsen (bewust) eenzijdig over naar
klimaatsceptici. Zo formuleert Crok de iris‐hypothese van Lindzen eerst positief, geeft dan toe dat er in 2008 veel kritiek op was, en vervolgt dan met "bijval" uit 2007. Kopt "Is de opwarming van de aarde gestopt?" terwijl Crok best weet dat je over langere perioden moet kijken dan "de afgelopen jaren". Kopt "De illusie van een gevoelig klimaat" op basis van wolkenfeedback terwijl er veel meer over klimaatgevoeligheid is gepubliceerd. Het hoofdstuk "Is die opwarming echt zo desastreus?" gaat voorbij aan literatuur zoals (die achter) Zes Graden en de Klimaatoorlogen. De paragraaf "De oceanen verzuren!" gaat voorbij aan alarmerende wetenschappelijke publicaties zoals “Past constraints on the vulnerability of marine calcifiers to massive carbon dioxide release” by Andy Ridgwell and Daniela N. Schmidt. Nature Geoscience, 14 february 2010. "Klimaatprobleem is geen milieuprobleem" is bijna absurd.
• Deels achterhaald door actualiteit: Croks kritiek op de IPPC komt wat laat. Hij maakt redelijk aannemelijk dat het voor klimaatsceptici een stuk moeilijker is om te publiceren in wetenschappelijke tijdschriften en invloed uit te oefenen op IPCC‐rapporten. Dat betekent dat de poorten verder open moeten voor critici. Dat gaan ze al, al vindt Crok het niet ver genoeg gaan. Verder relativeert Crok zijn commentaar op de consensus met zijn eigen inschatting dat de IPCC‐wetenschappers zich desgevraagd waarschijnlijk in grote meerderheid achter de centrale conclusies zouden scharen.
• Beschuldigend naar klimaatwetenschappers: Croks stelling dat ze overwegend links stemmen doet mij denken aan de opmerking van Wilders aan het adres van de rechters ("D66"). Het negeert ook de mogelijkheid dat klimaatwetenschappers misschien links zijn geworden vanwege hun beroepsmatige kennis over de zorgelijke staat van het klimaat, in plaats van andersom, als het al correct is. Crok bestempelt de open brief van Nederlandse wetenschappers over klimaatverandering wat voorbarig en zonder heldere argumentatie als "wat voorbarig". Je kunt net zo goed concluderen dat het een belangrijke brief is die aangeeft dat een grote groep Nederlandse wetenschappers zich schaart achter de hoofdconclusie van het IPCC.
• Overtuigend dat het wetenschappelijk bewijs beter moet: zie reactie Gerard Komen. Crok maakt aannemelijk dat de temperatuurgegevens uit het verleden deels onbetrouwbaar zijn. Zoals al elders via cherry picking betoogd, maar hier overtuigender. Zoals het voorbeeld van goed KNMI meetstation waarvan de correcties kennelijk niet goed in temperatuurreeksen terecht komen. Onbetrouwbaarheid betekent foutenmarges. Of die marges groter zijn dan de IPCC aangeeft, wordt niet duidelijk. Crok stelt dat een deel van de klimaatwetenschappers de temperatuurreeksen gebruikt zonder rekening te houden de onzekerheden daarin; Komen meldt dat dit juist een bron van zorg is voor onderzoekers. Crok maakt ook aannemelijk dat de klimaatmodellen grote onzekerheden kennen (zie reactie Komen). Het verweer van Santer pareert Crok overigens met de beschuldiging van McKitrick dat Santer zijn analyse heeft verdraaid door de vergelijking te laten eindigen in 1999 in plaats van 2007.
• Het antwoord moet uit de wetenschap komen: Hoe het allemaal zit moet bepaald
worden door publicaties in peer reviewed klimaattijdschriften. Interessant is wat de (op het betreffende gebied deskundige) klimaatwetenschappers ervan vinden, of zij deze onzekerheden goed hebben meegenomen bij het inschatten van de foutenmarge in de temperatuurstijging in het verleden en in de scenario's, en wat een statisticus daarvan vindt. Voor zover dit niet al is gebeurd. Jim Hansen heeft in reactie op eerdere kritiek een indrukwekkend overzicht gegeven van de betrouwbaarheid van temperatuurmetingen. Dus: reacties en publicaties van klimaatdeskundigen afwachten.
• Toch een klein sprankje hoop gevend: stel dat de wetenschap Crok uiteindelijk gelijk geeft en dit de komende tien jaar langzaam duidelijk zou worden. Het klimaat verandert, het komt door de mens, maar de invloed is ongeveer 50% kleiner dan de IPCC nu denkt. Dan blijft de temperatuurstijging de komende decennia wellicht binnen de perken, worden de kantelpunten niet bereikt en hebben we voldoende tijd om de GHG uitstoot tijdig te beperken. Maar ja, we kunnen en mogen hier niet van uit gaan.
Impressie van Arthur ten Wolde, 16 december 2010
• Gevaarlijk optimistisch: gaat voorbij aan het voorzorgbeginsel en schiet daarin tekort. Crok maakt op het eind een vrij bizarre draai dat klimaatbeleid ondanks alles belangrijk is en dat het veel beter moet. Dit soort zwakke redenaties, die voort lijken te komen uit Croks vooringenomen opvattingen, roepen bij voorbaat twijfel op over de redenaties in de rest van het boek, hoe doorwrocht ze voor een niet‐klimaatdeskundige ook mogen lijken.
• Interessant is vooral wat klimaatwetenschappers van het boek heel laten. We kennen de reactie van Gerard Komen.
• Actueel overzicht van de controverse: Bevat best de nodige nuances, Crok stemt zelf GroenLinks. Heeft duidelijk geprobeerd objectief te zijn. Dat is echter niet altijd goed gelukt. Tegelijkertijd ken ik zelf geen beter actueel overzicht van de controverse. Het was best leuk om te lezen.
• Ondermijnend: het is uiteindelijk een klimaatsceptisch boek dat het vertrouwen in de IPCC en de (klimaat)wetenschap ondermijnt. Dat vermindert ook het draagvlak voor snel en effectief emissiebeleid en stuurt ons nog meer de kant op die we al opgaan: groen beleid onder kapitalistische en nationalistische vlag, d.w.z. gericht op energiezekerheid en betaalbaarheid, en met kernenergie in plaats van CO2‐opslag.
• Eenzijdig en populistisch: boek helt op vele plaatsen (bewust) eenzijdig over naar
klimaatsceptici. Zo formuleert Crok de iris‐hypothese van Lindzen eerst positief, geeft dan toe dat er in 2008 veel kritiek op was, en vervolgt dan met "bijval" uit 2007. Kopt "Is de opwarming van de aarde gestopt?" terwijl Crok best weet dat je over langere perioden moet kijken dan "de afgelopen jaren". Kopt "De illusie van een gevoelig klimaat" op basis van wolkenfeedback terwijl er veel meer over klimaatgevoeligheid is gepubliceerd. Het hoofdstuk "Is die opwarming echt zo desastreus?" gaat voorbij aan literatuur zoals (die achter) Zes Graden en de Klimaatoorlogen. De paragraaf "De oceanen verzuren!" gaat voorbij aan alarmerende wetenschappelijke publicaties zoals “Past constraints on the vulnerability of marine calcifiers to massive carbon dioxide release” by Andy Ridgwell and Daniela N. Schmidt. Nature Geoscience, 14 february 2010. "Klimaatprobleem is geen milieuprobleem" is bijna absurd.
• Deels achterhaald door actualiteit: Croks kritiek op de IPPC komt wat laat. Hij maakt redelijk aannemelijk dat het voor klimaatsceptici een stuk moeilijker is om te publiceren in wetenschappelijke tijdschriften en invloed uit te oefenen op IPCC‐rapporten. Dat betekent dat de poorten verder open moeten voor critici. Dat gaan ze al, al vindt Crok het niet ver genoeg gaan. Verder relativeert Crok zijn commentaar op de consensus met zijn eigen inschatting dat de IPCC‐wetenschappers zich desgevraagd waarschijnlijk in grote meerderheid achter de centrale conclusies zouden scharen.
• Beschuldigend naar klimaatwetenschappers: Croks stelling dat ze overwegend links stemmen doet mij denken aan de opmerking van Wilders aan het adres van de rechters ("D66"). Het negeert ook de mogelijkheid dat klimaatwetenschappers misschien links zijn geworden vanwege hun beroepsmatige kennis over de zorgelijke staat van het klimaat, in plaats van andersom, als het al correct is. Crok bestempelt de open brief van Nederlandse wetenschappers over klimaatverandering wat voorbarig en zonder heldere argumentatie als "wat voorbarig". Je kunt net zo goed concluderen dat het een belangrijke brief is die aangeeft dat een grote groep Nederlandse wetenschappers zich schaart achter de hoofdconclusie van het IPCC.
• Overtuigend dat het wetenschappelijk bewijs beter moet: zie reactie Gerard Komen. Crok maakt aannemelijk dat de temperatuurgegevens uit het verleden deels onbetrouwbaar zijn. Zoals al elders via cherry picking betoogd, maar hier overtuigender. Zoals het voorbeeld van goed KNMI meetstation waarvan de correcties kennelijk niet goed in temperatuurreeksen terecht komen. Onbetrouwbaarheid betekent foutenmarges. Of die marges groter zijn dan de IPCC aangeeft, wordt niet duidelijk. Crok stelt dat een deel van de klimaatwetenschappers de temperatuurreeksen gebruikt zonder rekening te houden de onzekerheden daarin; Komen meldt dat dit juist een bron van zorg is voor onderzoekers. Crok maakt ook aannemelijk dat de klimaatmodellen grote onzekerheden kennen (zie reactie Komen). Het verweer van Santer pareert Crok overigens met de beschuldiging van McKitrick dat Santer zijn analyse heeft verdraaid door de vergelijking te laten eindigen in 1999 in plaats van 2007.
• Het antwoord moet uit de wetenschap komen: Hoe het allemaal zit moet bepaald
worden door publicaties in peer reviewed klimaattijdschriften. Interessant is wat de (op het betreffende gebied deskundige) klimaatwetenschappers ervan vinden, of zij deze onzekerheden goed hebben meegenomen bij het inschatten van de foutenmarge in de temperatuurstijging in het verleden en in de scenario's, en wat een statisticus daarvan vindt. Voor zover dit niet al is gebeurd. Jim Hansen heeft in reactie op eerdere kritiek een indrukwekkend overzicht gegeven van de betrouwbaarheid van temperatuurmetingen. Dus: reacties en publicaties van klimaatdeskundigen afwachten.
• Toch een klein sprankje hoop gevend: stel dat de wetenschap Crok uiteindelijk gelijk geeft en dit de komende tien jaar langzaam duidelijk zou worden. Het klimaat verandert, het komt door de mens, maar de invloed is ongeveer 50% kleiner dan de IPCC nu denkt. Dan blijft de temperatuurstijging de komende decennia wellicht binnen de perken, worden de kantelpunten niet bereikt en hebben we voldoende tijd om de GHG uitstoot tijdig te beperken. Maar ja, we kunnen en mogen hier niet van uit gaan.
Abonneren op:
Posts (Atom)